Hof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3108

Retentierecht. Uitleg van de wettekst, met name van de betekenis van artikel 3:294 BW. Transportonderneming A heeft een trekker met oplegger geleasd van leasemaatschappij B. A heeft met garagebedrijf C een onderhouds- en reparatieovereenkomst gesloten, die voorziet in de betaling van maandelijkse termijnen een C. Na verloop van tijd is een achterstand ontstaan in de betaling van de termijnen en aanvullende reparatienota’s. Naar aanleiding van starproblemen krijgt C de trekker en oplegger onder zich en oefent zijn bevoegdheid tot uitoefening van het retentierecht uit met betrekking tot alle nog openstaande termijnen en facturen. B is van mening dat C aldus misbruik maakt van haar bevoegdheid. In de visie van B verdraagt het retentierecht zich niet met duurovereenkomsten en mocht C haar retentierecht alleen uitoefenen met betrekking tot de laatste factuur. Het hof wijst de redenering van B van de hand. C heeft weliswaar leverancierskrediet verschaft aan A, maar niet ten nadele van B. C heeft de belangen van B voldoende in acht genomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken