Hof Arnhem-Leeuwarden 20 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2683
Huur. De huurcommissie heeft de maandelijkse huur verlaagd totdat de vochtproblemen in de woning zijn opgelost. De verhuurder heeft op de voet van artikel 7:262 lid 1 BW tijdig bij de kantonrechter de vaststelling van de huurprijs gevorderd. Die procedure is geëindigd nadat de verhuurder met verschillende van haar huurders, waaronder de betrokken huurder, een minnelijke regeling had bereikt over de vochtoverlast. Die regeling hield een minder vergaande verlaging in van de huurprijs en bovendien vanaf een latere datum dan de huurcommissie in het geval van de betrokken huurder had vastgesteld. De betrokken huurder stelt zich op het standpunt dat een redelijke wetsinterpretatie met zich brengt dat de beslissing van de huurcommissie niet is komen te vervallen, nu de kantonrechter niet tot een inhoudelijk oordeel is gekomen. Dat standpunt wordt verworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl