Hof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8789

Dochter stelt dat zij van april 1982 tot en met september 1990 maandelijks (contante) bedragen aan haar ouders heeft geleend doordat zij het loon dat zij verdiende in de restaurants waar zij werkte (en contant kreeg uitbetaald) telkens aan haar ouders heeft geleend. Zij vordert dit nu terug. Beroep op verjaring door ouders slaagt. Gaat om een verbintenis tot geven en doen als bedoeld in artikel 3:307 van het (huidige) BW. De in dat artikel geregelde korte verjaringstermijn van vijf jaar heeft directe werking vanaf 1992, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door de wet gestelde vereisten (artikel 68a Overgangswet Nieuw BW) met dien verstande dat in het onderhavige geval artikel 73 Overgangswet Nieuw BW leidt tot uitgestelde werking van een jaar. Door de dochter is ter afwering van het verjaringsberoep niet betwist dat de lening in 1990 opeisbaar was en ook daadwerkelijk toen door haar is opgeëist. Het voorgaande betekent dat de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW een aanvang heeft genomen in 1990 en is verstreken in 1995, tenzij stuiting van de termijn heeft plaatsgevonden. Daarvan is niet gebleken. Mondelinge aanspraken op betaling hebben naar oud en nieuw BW geen stuitende werking. Stuiting door erkenning is niet gesteld. Wel is gesteld dat in 2012 is erkend. Dat is niet relevant omdat een eenmaal verstreken verjaringstermijn niet alsnog wordt gestuit door een eventuele latere erkenning.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen