Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5606

De gemachtigde stelt onder meer dat er sprake is van schending van hoor en wederhoor, omdat de gemachtigde niet eerder dan na de beslissing van de kantonrechter op de hoogte is geraakt dat de verbalisant een aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt. Het hof stelt voorop dat in de fase van het beroep bij de kantonrechter de officier van justitie geen taak heeft als het gaat om toezending van op de zaak betrekking hebbende stukken, zodat de officier van justitie niet gehouden was om op het daartoe strekkende verzoek van de gemachtigde te reageren. De kantonrechter hoefde evenmin na te gaan of de officier van justitie op dat verzoek had gereageerd. Het verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken in de procedure bij de kantonrechter wordt geregeld in artikel 11, vierde lid, WAHV. In dit geval is aan de gemachtigde medegedeeld binnen welke termijn de stukken ter inzage lagen en op welke wijze een afspraak kon worden gemaakt. De gemachtigde heeft geen aanleiding gezien om inzage te nemen in de stukken of om toezending van het procesdossier te verzoeken. Dat de gemachtigde niet eerder dan bij het ontvangen van de beslissing van de kantonrechter op de hoogte is geraakt van het bestaan van een aanvullend proces-verbaal en daarop niet eerder heeft kunnen reageren dan in het hoger beroepschrift, is een omstandigheid die voor zijn rekening dient te blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen