Hof Arnhem-Leeuwarden 16 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4135

Volstortingsverplichting. Aansprakelijkheid opvolgend bestuurder op grond van artikel 2:180 lid 2 aanhef en sub b BW (oud). Was ten tijde van de oprichting van de BV voldaan aan de volstortingsverplichting? Het hof houdt het er voor dat de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak “Biggles’(ECLI:NL:HR:1988:AD0505) haar gelding heeft behouden, ook na de inwerkingtreding van artikel 2:203a BW (per 20 januari 1986) en na het “Bas-C” arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003 (ECLI:NL:HR:2003: AF4595). Voordat het hof de vraag kan beantwoorden of aan de volstortingsverplichting was voldaan, behoeft het nog nadere inlichtingen van de opvolgend bestuurder. Aan de subsidiair aangevoerde grond voor aansprakelijkheid, bestuurdersaansprakelijkheid, is onvoldoende handen en voeten gegeven. Om proceseconomische redenen en ter voorkoming van een verrassingsbeslissing worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of in geval niet is voldaan aan de volstortingsverplichting, uit de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW) voortvloeit dat artikel 2:180 BW (oud) in dit geval buiten toepassing dient te worden gelaten, danwel met toepassing van artikel 6:109 BW de schadevergoedingsverplichting dient te worden gematigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken