Hof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1230
Hoevepacht, ontduiking. Art. 7:313 lid 3 BW [appellant 1] B.V. pacht jaarlijks circa 210 ha landbouwgrond van BBL, verpachter. [appellant 2] B.V. heeft op basis van een bruikleenovereenkomst een bedrijfswoning en een aantal bedrijfsgebouwen van BBL om niet in bruikleen. De B.V.’s beroepen zich op hoevepacht. Wil sprake zijn van hoevepacht dan dient aannemelijk te zijn dat er een complex van tenminste een gedeelte van een gebouw en het daarbij behorende land bestaat en dat er een tegenprestatie voor zowel het gebruik van het land als de gebouwen is overeengekomen. De feiten en omstandigheden van de zaak bieden voldoende aanknopingspunten om de gebouwen en de grond aan te merken als een complex .Als onvoldoende gemotiveerd staat verder vast dat een tegenprestatie voor de gebouwen is verdisconteerd in de pachtsom voor de grond, zodat op beide overeenkomsten uit hoofde van artikel 7:313 lid 3 BW de bepalingen omtrent verpachting van hoeven van toepassing zijn met ingang van het tijdstip waarop de laatste van beide overeenkomsten is gesloten. Het hof acht bij dit alles niet relevant dat de pachtovereenkomst voor los land is gesloten met [appellant 1] B.V. en de bruikleenovereenkomst voor de bedrijfsgebouwen met appellant 2] B.V. Destijds is met de voorganger van BBL een ontduikingsconstructie uitgedacht waarbij het nodig leek beide overeenkomsten op naam van verschillende vennootschappen te stellen. Nadat BBL eigenaar was geworden, heeft BBL aanvankelijk (in 2010) [appellant 1] B.V. op beide overeenkomsten vermeld, maar na een opmerking daarover van de controller Van [appellant 1] B.V. de bruikleenovereenkomst alsnog op naam van [appellant 2] B.V. gesteld. Het feit dat met twee vennootschappen is gecontracteerd, had kennelijk ook voor BBL geen andere achtergrond dan voortzetten van wat daarvoor gebruikelijk was. Tot slot berust de zeggenschap in beide vennootschappen uiteindelijk geheel bij [appellante] die feitelijk alle (contractuele) handelingen heeft verricht. In zoverre worden beide vennootschappen aangemerkt als dezelfde (weder)partij als bedoeld in artikel 7:313 lid 3 BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl