Hof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6589
De in eerste aanleg gedaagde partij is een vennootschap. De rechtbank wijst de vordering tegen gedaagde af. De eisers komen vervolgens tijdig in hoger beroep. Na het uitbrengen van de appeldagvaarding is de geïntimeerde vennootschap door een juridische fusie opgehouden te bestaan. De verkrijgende vennootschap is vervolgens door een zuivere splitsing, gesplitst in twee verkrijgende vennootschappen. Namens geïntimeerde wordt een van de verkrijgende vennootschappen aangewezen als de partij die de door appellanten gepretendeerde vordering zou hebben verkregen en tegen wie derhalve dient te worden doorgeprocedeerd. Appellanten betogen dat het voor hen onduidelijk is jegens wie zij hun vordering geldend moeten maken en of die vennootschap wel solvabel is om de vordering te voldoen. In het procedurele debat dat vervolgens ontstaat wordt ook de hoofdelijke aansprakelijkheid na splitsing (artikel 2:234t BW) betrokken. Het hof oordeelt dat de door geïntimeerde aangewezen vennootschap de vennootschap is tegen welke de procedure in hoger beroep moet worden voortgezet.
De uitspraak op rechtspraak.nl