Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5621

Pachtovereenkomst. Negatieve verklaring voor recht. Bedrijfsmatige exploitatie. 7:311 jo. 312 BW. Een negatieve verklaring voor recht in de zin dat er geen pachtovereenkomst bestaat, is een vordering is ‘betreffende een pachtovereenkomst als bedoeld in de vijfde titel van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;’ (artikel 1019j Rv). Met de gevorderde negatieve verklaring voor recht wordt immers de vraag voorgelegd of de rechtsverhouding kwalificeert als een pachtovereenkomst of niet, en dat is bij uitstek een vraag die tot de bevoegdheid van de pachtrechter hoort. Deze vraag is tevens ‘het onderwerp van het geschil’ als bedoeld in artikel 71 lid 3 Rv waarin verwijzing naar de bevoegde rechter is geregeld. De vordering tot een negatieve verklaring voor recht is het spiegelbeeld van de vordering tot vastlegging van een pachtovereenkomst, die materieel dezelfde vraag voorlegt. Niet noodzakelijk is dat laatstgenoemde vordering tegelijkertijd – in conventie of in reconventie – aan de orde zou zijn; de bevoegdheid van de pachtrechter strekt zich ook uit over een zaak die beperkt is tot een negatieve verklaring voor recht. Een paardenhouderij/fokkerij is in beginsel te kwalificeren als landbouwkundig gebruik. De vraag is echter of appellanten paarden fokken met een economisch oogmerk van meer dan ondergeschikte betekenis dan wel of het bedrijf voldoet aan de vereisten van landbouwkundige exploitatie. Daartoe is onvoldoende aangevoerd. Ter comparitie heeft appellant verklaard dat zijn vader hem behulpzaam wilde zijn bij zijn hobby en bij het behoud van de foklijnen en dat hij hem daartoe de stallen en het land in gebruik gaf. In 2004 beschikte hij naar eigen zeggen over ongeveer negen fokmerries en twee hengsten maar gesteld noch gebleken is dat er toen inkomsten van enige betekenis kwamen uit de fokkerij noch dat dat de bedoeling van partijen was. Thans worden op het bedrijf negentien paarden gehouden. In de samenstelverklaring over de jaren 2013-2015 blijkt dat de omzetten uit de fokkerij en handel zeer marginaal zijn. Volgens de overgelegde stukken heeft appellant de laatste jaren van BBL grasland met beheerpakketten gepacht op basis van geliberaliseerde pachtovereenkomsten voor telkens 1 jaar. Op grond daarvan ontvangt hij natuursubsidies en vergoedingen van agrariërs die hun mest over de gepachte gronden uitrijden. De grasopbrengst (twee tot drie sneden per jaar) wendt hij aan voor wintervoeding van de paarden. Een en ander resulteert in een winst van jaarlijks niet meer dan enkele honderden euro's. Over zijn (overige) inkomsten heeft appellant geen gegevens verschaft, ondanks het verzoek daartoe van het hof. Zoon en de echtgenote van appellant werken beiden (bijna) fulltime elders. Over investeringen heeft appellant niets aangevoerd, zodat niet kan worden aangenomen dat er met het oog op toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken