Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3978
Artikel 7:17, sub d, Awb. 7:18, vierde lid, Awb. 7:26, eerste lid, Awb. 13 WAHV. Op de inleidende beschikking staat een tekst over het horen. Deze tekst kan aan de officier van justitie worden toegerekend. De omstandigheid dat de betrokkene al bij toezending van de beschikking en niet pas na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, brengt niet mee dat niet is voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorschrijft. De betrokkene heeft niet verzocht om te worden gehoord. Dat is niet gebeurd omdat de mededeling op de sanctiebeschikking op inadequate wijze tot uitdrukking brengt wat het recht te worden gehoord inhoudt. De officier van justitie kon daarom afzien van het horen. De gang van zaken in dit dossier leidt tot het oordeel dat de officier van justitie niet in strijd met artikel 7:18 van de Awb heeft gehandeld door de gemachtigde niet in de gelegenheid te stellen te reageren op de toegezonden foto alvorens te beslissen op het beroep. De beslissing van de officier van justitie op het beroep is in het licht van de bezwaren van de gemachtigde ook toereikend gemotiveerd. Wel had de kantonrechter moeten ingaan op de klacht over het motiveringsgebrek daarin. Dit leidt tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.
De uitspraak op rechtspraak.nl