Hof Arnhem-Leeuwarden 4 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1706
Vermindering proceskostenvergoeding tot de helft omdat de betrokkene slechts gedeeltelijk en op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk wordt gesteld. In hoger beroep wordt geklaagd over diverse aspecten van de (totstandkoming van de) sanctiebeschikking en de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. De aangevoerde argumenten falen en het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter behoudens één aspect. De kantonrechter had het beroep van de gemachtigde tegen het uitblijven van een beslissing van de officier van justitie op het verzoek om restitutie van de door de betrokkene gestelde zekerheid, in welk kader ook was verzocht om vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom, niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van ongegrond. Een verzoek strekkende tot teruggaaf van gestelde zekerheid is geen verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in 1:3 juncto 4:17 Awb, maar een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. Niet tijdig reageren op dat verzoek kan derhalve niet leiden tot verbeurte van een dwangsom. Tegen het niet tijdig verrichten van een handeling van feitelijke aard staat geen (bestuursrechtelijk) rechtsmiddel open..
De uitspraak op rechtspraak.nl