Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1633
Gronden van het beroep. 13 WAHV en formulering van de beslissing van de kantonrechter. Dwangsom. De vraag of een beroepschrift de gronden van het beroep bevat, is niet een aspect van openbare orde waaromtrent moet worden beslist onafhankelijk van hetgeen is aangevoerd. Het gaat immers om de vraag of het beroepsorgaan in staat is om het beroep te behandelen en niet om de vraag of het beroepsorgaan het beroep mag behandelen. Het beroepschrift tegen de inleidende beschikking bevatte wel gronden van het beroep en de officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter had alvorens over te gaan tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, het beroep tegen die beslissing gegrond moeten verklaren. Ook had de kantonrechter een proceskostenvergoeding moeten toekennen. Het verzoek aan de officier van justitie om te bepalen dat de gestelde zekerheid wordt teruggegeven, is geen verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in 1:3 juncto 4:17 Awb , maar een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. Niet tijdig reageren op dat verzoek kan derhalve niet leiden tot verbeurte van een dwangsom. Tegen het niet tijdig verrichten van een handeling van feitelijke aard staat geen (bestuursrechtelijk) rechtsmiddel open. De kantonrechter had het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl