Hof Arnhem-Leeuwarden 22 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10783

Duur van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Overgangsregeling bij wijziging van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Gunstiger regeling. Opgewekte verwachting. Art. V van de Wet van 1 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (Aanpassingen tbs met voorwaarden), Stb. 2010, 270. De opvatting van de rechtbank in haar vonnis van 27 juni 2012 met betrekking tot de maximale duur van de terbeschikkingstelling met voorwaarden in de onderhavige zaak is onjuist. Artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht betreft de maximale duur van de - op vordering van het openbaar ministerie door de verlengingsrechter te bepalen - tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling. Voornoemde wetswijziging, waarbij die maximale duur wat betreft de terbeschikkingstelling met voorwaarden is gewijzigd, kan dan ook niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging en brengt dus geen verandering in de regels van het sanctierecht. Ook overigens is artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing, aangezien deze bepaling zich beperkt tot lopende vervolgingen. Daarvan is bij verlenging van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijk opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling geen sprake. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is dus niet van belang of de nieuwe regeling van art. 38e van het Wetboek van Strafrecht gunstiger is voor de terbeschikkinggestelde of niet (vgl HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1404). Bij de terbeschikkinggestelde kan door hetgeen met betrekking tot de duur van de maatregel in het vonnis van 27 juni 2012 is overwogen de verwachting zijn ontstaan dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden in zijn geval maximaal vier jaren zou duren. Naar het oordeel van het hof kan in ieder geval die verwachting in objectieve zin niet meer of langer, althans niet onverkort, hebben bestaan na het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013. Hierbij is van belang dat niet de opleggingsrechter maar uitsluitend de verlengingsrechter gaat over de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling. Voor zover thans nog kan worden gesproken van enig rechtens relevante verwachting bij de terbeschikkinggestelde op een niet verdere verlenging van de maatregel, ziet het hof daarin geen aanleiding om thans verlenging van de tenuitvoerlegging van de maatregel niet mogelijk te achten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken