Hof Arnhem-Leeuwarden 27 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10476
Artikel 7:396 lid 2, 7:322. Bollenteelt. Teeltpacht? Appellant vordert nakoming van door hem gestelde teeltpachtovereenkomsten tussen hem en geïntimeerde en subsidiair schadevergoeding wegens onrechtmatig gebruik van zijn grond door geïntimeerde na afloop van de teeltpacht. Nu de teeltpachtovereenkomst niet (tijdig) is ingezonden ter registratie, geldt dat partijen, uitgaande van de stellingen van appellant, een mondelinge pachtovereenkomst hebben gesloten waarvoor het normale pachtregime geldt (Hof Arnhem, 2 maart 2004, Pr juni 2004/4, [A] / [B]). Appellant komt daarom geen rechtsvordering tot nakoming toe. Appellant heeft de door geïntimeerde aangevoerde gang van zaken niet (voldoende) weersproken zodat hij, in het licht van deze gemotiveerde betwisting door geïntimeerde, zijn stelling dat deze in de periode van 1 januari tot eind mei 2013 zonder rechtsgrond gebruik heeft gemaakt van zijn grond voor de lelieteelt onvoldoende heeft gemotiveerd en die stelling dus moet worden verworpen. Afwijzend vonnis eerste aanleg wordt bekrachtigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl