Hof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9112
In een kort geding omtrent schorsing van een concurrentiebeding, bekrachtigt het hof de in eerste aanleg uitgesproken schorsing. Daarbij oordeelt het hof: - dat de werknemer noch vaktechnisch noch op financieel economisch terrein beschikt over bedrijfsgevoelige informatie waarmee hij, door deze te delen met de concurrentie, de werkgever in de bescherming van haar bedrijfsdebiet zou kunnen schaden; - dat werknemer bij werkgever geen persoonlijk commercieel contact heeft (gehad) met klanten en/of andere relaties van werkgevers, reden waarom werkgever, indien werknemer bij een concurrent van werkgever in dienst treedt, niet worden geschaad in de bescherming van haar bedrijfsdebiet; - het binden van personeel door werkgever op een krappe arbeidsmarkt, hetgeen een element is dat niet rechtstreeks het bedrijfsdebiet van werkgever raakt, kani n de hier aan de orde zijnde belangenafweging niet in relevante mate ten gunste van werkgever wegen; - werkgever ten behoeve van werknemer in zodanig beperkte mate in de opleiding en deskundigheid van werknemer geïnvesteerd dat dit element aan de zijde van werkgever van onvoldoende belang is. - - werkgever heeft niet gemotiveerd gesteld dat werknemer over zodanige speciale kennis beschikt dat hij een soort sleutelrol in har organisatie vervult en daardoor zeer waardevol voor haar is, zodat dit element evenmin een rol aan de zijde van werkgever speelt; - werkgever heeft weliswaar gesteld dat zij ter voorkoming van bedrijfseconomische schade belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding, maar welke bedrijfseconomische schade zij lijdt en in welke omvang, indien het concurrentiebeding wordt geschorst, heeft zij niet duidelijk gemaakt. Zij heeft deze schade evenmin onderbouwt. Aldus gaat het hof aan deze gestelde bedrijfseconomische schade voorbij; - werkgever voert de salarisverlaging, die werknemer bij indiensttreding bij nieuwe werkgever ondervindt, aan als een argument dat tegen werknemer zou moeten pleiten. Het hof is van oordeel dat positieverbetering niet alleen in financiële termen beoordeeld hoeft te worden en dat werknemer zijn belang om bij de nieuwe werkgever te werken voldoende heeft aangetoond. Dat werknemer zelf wenst te vertrekken en het relatief korte dienstverband bij werkgever leggen verder weinig gewicht in de schaal en - nu verdere gewichtsbepalende elementen niet zijn gesteld of gebleken, is het hof van oordeel dat de belangenafweging zodanig in het voordeel van werknemer uitvalt dat te verwachten is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat werknemer door het concurrentiebeding zo onbillijk wordt benadeeld dat het beding voor vernietiging in aanmerking komt.
De uitspraak op rechtspraak.nl