Hof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9053

Art. 3:170, 3:171, 3:184 en 3:185 BW Partijen zijn deelgenoten in de onverdeelde nalatenschap van hun moeder. Tot de nalatenschap behoort de vordering op pachter tot betaling van (achterstallige) pachtpenningen. Zolang geen verdeling heeft plaatsgehad komen de verpachtersrechten uit een pachtcontract toe aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap (HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516, NJ 1996, 485). Dit betekent dat pachter de eventueel nog verschuldigde pachtsom aan de boedel verschuldigd is en niet aan ieder van de deelgenoten voor diens aandeel. Art. 3:170 BW behelst als hoofdregel dat het beheer van de gemeenschap, waaronder het instellen van rechtsvorderingen, door de deelgenoten gezamenlijk geschiedt. Dat betekent voor het onderhavige geval dat het beheer van de gemeenschap van de nalatenschap in beginsel door partijen gezamenlijk dient te geschieden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, staat het de zussen en broer dus niet vrij om ieder voor zijn of haar deel in de onverdeelde gemeenschap op te komen. Daarnaast biedt art. 3:171 BW de mogelijkheid dat een deelgenoot op eigen naam een rechtsvordering instelt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Art. 3:171 BW ziet evenwel slechts op vorderingen tegen derden en niet op vorderingen tegen een van de deelgenoten zelf (zie HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043). Vorderingen van de gemeenschap op een deelgenoot dienen bij de verdeling aan de orde te komen (art. 3:184 BW), waartoe eventueel dan ook een beslissing door de rechter kan worden ingeroepen (art. 3:185 BW). Dat kan anders zijn indien de vordering zich naar zijn aard er niet voor leent om in de verdeling te worden betrokken of indien het instellen van de rechtsvordering geen uitstel kan lijden. Voor zover de vorderingen van de zussen en broer zijn gericht op de betaling van of verrekening met achterstallige pachtpenningen door pachter, betreft het vorderingen die in beginsel in de verdeling aan de orde dienen te komen. Dat laat de bevoegdheid van de pachtrechter om zich uit te spreken over een vordering tot een verklaring voor recht ten aanzien van de hoogte van de verschuldigde pachtprijs onverlet, opdat de gewone burgerlijke rechter met die uitspraak in de verdelingsprocedure rekening kan houden. In zoverre is dan sprake van een vordering die zich naar zijn aard er niet voor leent om in de verdelingsprocedure voor de gewone burgerlijke rechter te worden beslist. Voor het vervolg zie ECLI:NL:GHARL:2016:2079

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken