Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8701

De ouders hebben in eerste aanleg terugbetaling gevorderd van de door hen betaalde ouderbijdragen. Zij beroepen zich daarbij op art. 40 van de Wet op het primair onderwijs. De rechtbank heeft de ouders gevolgd in hun standpunt dat de overeenkomst die zij met de school hebben getekend over de ouderbijdragen, nietig is. Tot een veroordeling tot terugbetaling heeft dat echter niet geleid, omdat de rechtbank (met analoge toepassing van art. 3:53 lid 2 BW) oordeelde dat de school de betaalde bedragen niet hoefde terug te betalen omdat (kort gezegd) de school aan de kinderen van de ouders onderwijs heeft gegeven. In hoger beroep komt het hof tot een andere beoordeling. Omdat de overeenkomst nietig is, hoefden de ouders in beginsel niets te betalen. Het uitgangspunt van de wetgever is immers gratis regulier basisonderwijs. Alleen wanneer een school voldoende duidelijk maakt dat een financiële bijdrage van de ouders vrijwillig is, is een overeenkomst waarbij een ouderbijdrage wordt geheven, geldig. Voor analoge toepassing van art. 3:53 lid 2 BW ziet het hof geen aanleiding, juist vanwege het uitgangspunt van de wetgever dat regulier basisonderwijs gratis toegankelijk moet zijn en niet afhankelijk gesteld mag worden van een financiële bijdrage van de ouders. De omstandigheid dat de school aan de kinderen onderwijs heeft gegeven is onvoldoende om te kunnen rechtvaardigen dat de wettelijke sanctie van de nietigheid wordt "gerepareerd". Het hof veroordeelt de school daarom tot terugbetaling van de ouderbijdragen voor het reguliere basisonderwijs. De extra bedragen die de ouders hebben betaald voor het internationale onderwijs dat één van de kinderen heeft genoten, hoeft de school niet terug te betalen. Voor deze vorm van onderwijs ontvangt de school geen volledige bekostiging, zodat het vragen van een ouderbijdrage hier een geldige voorwaarde is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen