Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5699
Borgtocht; achterborgen; bewijsvoorschrift artikel 7:859 lid 1 BW. Uitleg van als ‘achterborgtocht’ aangeduide verplichting. De ‘achterborgen’ hebben zich volgens de eisende partij – de borg - tot betaling tegenover hem verplicht indien hij als borg door de bank zou worden aangesproken en tot betaling zou overgaan. Volgens deze ‘achterborgen’ is echter sprake van een achterborgtocht in de zin van de wet, en kunnen zij alleen door de bank worden aangesproken indien de borg geen verhaal biedt. Het hof is gehouden aan de door de rechtbank gegeven uitleg, waarbij de ‘achterborgtocht’ als een gewone borgtocht is uitgelegd, nu de borg tegen die overwegingen geen grieven heeft gericht. Bewijsrisico omtrent hetgeen is overeengekomen rust op de schouders van de borg. Bewijs stuit af op het in artikel 7:859 lid 1 BW geformaliseerde vereiste.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 156 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 156a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:2 BW6
- Artikel 6:152 BW6
- Artikel 7:850 BW7
- Artikel 7:855 BW7
- Artikel 7:859 BW7
- Artikel 7:866 BW7
- Artikel 7:869 BW7