Hof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:335

17-jarige fietser steekt vanuit een berm de openbare weg dwars over en komt daarbij in aanrijding met een bestelbus. De fietser loopt hierbij zeer ernstig letsel op en stelt de automobilist aansprakelijk voor de door hem geleden en te lijden schade. De automobilist beroept zich op overmacht en op aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van de fietser in de zin van artikel 185 WVW. Uit de tijdens de descente gemaakte video-opnames en de bevindingen van de partijdeskundige, is gebleken dat het zicht dat de automobilist op de berm moet hebben gehad, zodanig is geweest dat hij de fietser bij de vereiste oplettendheid op een bepaald moment moet hebben kunnen zien en dat hij bij een normale oplettendheid een aanrijding met de fietser had kunnen voorkomen. Vast staat echter dat de automobilist de fietser in het geheel niet heeft opgemerkt. Het hof oordeelt derhalve dat de automobilist onvoldoende heeft onderbouwd dat het ongeval niet uitsluitend is te wijten aan zodanig onwaarschijnlijke fouten van de fietser dat de automobilist daarmee geen rekening behoefde te houden, zodat het beroep op overmacht faalt. De fietser heeft voorts naar het oordeel van het hof weliswaar onmiskenbaar onvoorzichtig gehandeld, maar dit onachtzame rijgedrag is onvoldoende om aan opzet grenzende roekeloosheid aan te nemen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de fietser zich bewust moet zijn geweest van het gevaar van een aanrijding door een auto, dat hij door zijn gedrag in het leven riep. De automobilist dient daarom in ieder geval 50% van de schade van de fietser te vergoeden. Het hof vervolgt met de beoordeling van de vraag of de automobilist op grond van artikel 6:101 BW gehouden is de schade van de fietser voor meer dan 50% te vergoeden, op grond van de causale bijdrage aan het ontstaan van het ongeval en de schade ofwel op grond van de billijkheidscorrectie. Naar het oordeel van het hof hebben de gedragingen van de automobilist en de fietser beide in gelijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade, zodat de causale bijdrage geen correctie vergt op het percentage van 50%. Op grond van de billijkheidscorrectie komt het hof wel tot een andere verdeling van de schadevergoedingsplicht. Gelet op de omvangrijke schade en de jeugdige leeftijd waarop de fietser met dit letsel en deze schade is geconfronteerd, komt het hof tot het oordeel dat de billijkheid meebrengt dat de (verzekeraar van de) automobilist de schade van de fietser voor 75% dient te dragen. Het hof heeft daarbij meegewogen dat de automobilist verzekerd is tegen schade als de onderhavige.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken