Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3333
Dwangsom. De beslissing van de kantonrechter – op het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het administratief beroep tegen de oplegging van administratiekosten – valt onder het bereik van artikel 14 van de WAHV en het hof is ter zake bevoegd. Nu de opgelegde sanctie na de beslissing van de kantonrechter in elk van de onderhavige zaken meer bedraagt dan € 70,-, is het hoger beroep ontvankelijk en komt het hof toe aan de beoordeling van het geschil over de vaststelling van de hoogte van de dwangsom die door de officier van justitie in het kader van een WAHV-procedure is verbeurd. Het hof verwerpt de stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie niet op de administratieve beroepen heeft beslist. De in het dossier aanwezige motiveringsbrieven moeten als besluiten worden aangemerkt. Deze besluiten zijn ook op de juiste wijze bekendgemaakt. Dit brengt mee dat de kantonrechter er terecht van heeft afgezien om de officier van justitie op te dragen te beslissen op de administratieve beroepen. Het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor het vaststellen van een dwangsom, omdat de gemachtigde heeft nagelaten de aangewezen procedure ex artikel 4:18 Awb te volgen, is niet juist. De kantonrechter heeft het beroep met betrekking tot het niet vaststellen van een dwangsom ten onrechte ontvankelijk geacht, omdat door de gemachtigde als ingebrekestelling beschouwde brief, niet als ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, Awb kan worden aangemerkt.
De uitspraak op rechtspraak.nl