Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2406
Herhaald appel tegen de afwijzing van loonvorderingen op de grondslag van (primair) het bestaan van een arbeidsovereenkomst en (subsidiair) het bestaan van een opdrachtovereenkomst. Aangezien het arrest van het hof in kracht van gewijsde is gegaan, stuiten deze vorderingen af op strijd met de goede procesorde en wordt het appel niet-ontvankelijk verklaard. Resteert het appel tegen de afwijzing van de (meer subsidiaire) vorderingen tot betaling van schadevergoeding wegens de voortijdige beëindiging van een overeenkomst van opdracht. Ook in hoger beroep komt echter niet vast te staan dat appellant in privé een opdrachtovereenkomst met geïntimeerde heeft gesloten. Het bewijsaanbod van appellant wordt als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd. De meer subsidiaire vorderingen worden derhalve afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl