Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1154

Omschrijving: Werkgever zegt arbeidsovereenkomst met toen 56-jarige werknemer op. Op grond van artikel 2 BBA jo artikel 3 SUWI is voor opzegging van de arbeidsovereenkomst geen voorafgaande toestemming van het UWV Werkbedrijf vereist. In een bodemprocedure rust op de werknemer de stelplicht en de bewijslast dat de aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst ten grondslag gelegde reden voorgewend of vals was waardoor het ontslag kennelijk onredelijk is. De werkgever heeft de door de werknemer aangevoerde feiten en omstandigheden gemotiveerd betwist, zodat nader feitenonderzoek nodig is waarvoor de kort geding procedure zich niet leent. Werknemer heeft voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de opzeggingsgrond vals of voorgewend is, zodat ook in hoger beroep de vordering van de werknemer wordt afgewezen. Bij de kantonrechter is voor de werkgever als gemachtigde een jurist opgetreden die op de juridische afdeling van de werkgever werkzaam is en tot wiens werkzaamheden onder meer behoren het voeren van gerechtelijke procedures in zaken waarin geen bijstand van een advocaat is vereist. Kantonrechter heeft ten onrechte het salaris van gemachtigde op nihil gesteld. Op dit onderdeel wordt het vonnis vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken