Hof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7330
Flitsscheiding. Bij ontbreken van andere afspraken zijn de huwelijkse voorwaarden van rechtswege getransformeerd in partnerschapsvoorwaarden. Verdeling en verrekening. Artikel 3:196 BW, benadeling voor meer dan een kwart? Uit de stukken blijkt dat er sprake is geweest van een zogenaamde flitsscheiding die binnen een kort tijdsbestek is afgewikkeld. Van een weloverwogen voorbereiding en bespreking van de vermogensrechtelijke gevolgen is geen sprake geweest. Eén bespreking van enkele uren met een accountant en een jurist verbonden aan het kantoor waar de man klant is, kan niet als een zodanige voorbereiding worden aangemerkt. Verder is er een gesprek geweest met de notaris die de akte tot beëndiging van het geregisteerd partnerschap heeft gepasseerd en die heeft gewezen op de scheve verhouding in de verdeling die partijen hem voorhielden. Partijen verschillen echter van mening over het verdere verloop van het gesprek met de notaris. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat de vrouw de toedeling ondubbelzinning tot haar schade heeft aanvaard. De overige feiten en omstandigheden die de man heeft aangevoerd sterkten alle ter uitvoering van de gemaakte afspraken en kunnen om die reden niet de stelling dragen dat sprake is van een ondubbelzinning bij het maken van de afspraken aanvaarde benadeling. Gezien de hiervoor geschetste omstandigheden moet het er verder voor worden gehouden dat de vrouw niet alleen de benadeling niet heeft aanvaard, maar ook moet worden vermoed omtrent de waarde van de te verdelen goederen te hebben gedwaald. Ook al zou het convenant als vaststellingsovereenkomst moeten worden aangemerkt dan geldt nog steeds dat een dergelijke overeenkomst vernietigbaar is op grond van artikel 3:196 lid 1 BW. Verder is onder de gegeven omstandigheden het beroep op artikel 3:196 lid 1 BW naar maatstaven van redelijkheid en billelijkheid niet onaanvaardbaar. Partijen hebben in een convenant overeenkomstig artikel 2 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de toepasselijkheid van die wet uitgesloten. De man kan daarom te zijner tijd geen aanspraak maken op uitbetaling aan hem van een deel van het door de vrouw opgebouwdee pensioen. Anders dan de man ingang tracht te doen vinden onttrekt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de pensioenrechten van de vrouw aan het huwelijksgoederenregime van partijen, zodat de verevening van de pensioenrechten en de uitsluiting daarvan op de voet van artikel van die wet los staat van de verrekening op grond van artikel 1:42 lid 3 BW ter zake van het huwelijksegoederenregime van partijen.
De uitspraak op rechtspraak.nl