Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5768
Officiersappel. Uitleg artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b van het RVV 1990. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd ter zake van parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart. De gedraging is een overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b van het RVV 1990. Deze bepaling dient naar het oordeel van het hof zo te worden begrepen dat het op de weg van een betrokkene ligt zich erop te beroepen dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt en, wil dit beroep kunnen slagen, een betrokkene zijn stelling ook aannemelijk dient te maken. De betrokkene heeft dat ook voldoende aannemelijk gemaakt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verbalisant geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die meebrengen dat van het tegendeel moet worden uitgegaan. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter, die de inleidende beschikking had vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl