Hof Arnhem-Leeuwarden 8 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5501

Door Diamantis is uitdrukkelijk erkend dat Alfa Beta als opdrachtgever tot het transport als afzender heeft te gelden en dat Alfa Beta tevens geadresseerde is. De vermelding van Bigard in vakjes 1 en 21 van de CMR-vrachtbrief berust daarmee klaarblijkelijk op een misverstand. Bigard fungeerde slechts als feitelijke aflader, zoals eveneens door Diamantis als juist is erkend. Tegen de CMR-vrachtbrief staat tegenbewijs open, doch gelet op de uitdrukkelijke erkenningen door Diamantis is bewijslevering niet nodig. Evenmin valt in te zien op grond waarvan de foutieve vermelding van Bigard in de CMR vrachtbrief als afzender kan meebrengen dat Bigard "tot de vervoerovereenkomst is toegetreden". Dat Bigard tot de vervoerovereenkomst is toegetreden is verder door Diamantis niet onderbouwd. Het voorgaande betekent dat Bigard niet conform de CMR-bepalingen uit hoofde van de vervoerovereenkomst een vorderingsrecht had jegens Diamantis en dat zij hooguit uit hoofde van onrechtmatige daad een vordering jegens Diamantis had kunnen instellen. Artikel 28 CMR staat aan dat laatste niet in de weg, (…), doch brengt mee dat de vervoerder zich tegen een dergelijke op onrechtmatige daad gebaseerde vordering op dezelfde uitsluitingen of beperkingen van de CMR kan beroepen dan wanneer hij uit hoofde van de vervoerovereenkomst was aangesproken. Met TVM is het hof echter van oordeel dat Diamantis in het geheel niet heeft onderbouwd dat en waarom zij (naar de regels van het hier toepasselijke recht) uit hoofde van onrechtmatige daad jegens Bigard aansprakelijk is. Diamantis stelt dat het CMR-verdrag op de vervoerder een resultaatsverbintenis legt, doch ziet eraan voorbij dat Bigard een vordering uit onrechtmatige daad juist niet daarop zou hebben kunnen baseren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen