Hof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3377

Twee incidenten. (1) Vordering tot overlegging van stukken door ex-echtgenote (in het kader van pensioengeschil en boedelverdeling) met beroep op art. 843a en art. 21/22 Rv. Vordering afgewezen, want de gevraagde stukken zien niet op een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv waarbij eiser partij is en omdat eiser aan art. 22 Rv geen eigen vorderingsrecht kan ontlenen. (2) Schorsing tenuitvoerlegging op grond van art. 351 Rv afgewezen omdat de belangen van eiser op dit moment niet zwaar genoeg wegen. Misslag door de rechtbank op één onderdeel is van onvoldoende gewicht, omdat de misslag geen verschil maakt voor het dictum van de rechtbank zoals dat door de wederpartij (door beslaglegging en executie) ten uitvoer wordt gelegd. Geen sprake van een financiële noodsituatie. Restitutierisico aan de zijde van de executant niet aannemelijk gemaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken