Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2675
Vrijspraak t.z.v. de ten laste gelegde overschrijding van de maximum rijsnelheid (met meer dan 40 kilometer per uur). Discussie over de bewijswaarde van twee zich in het dossier bevindende, voor een bewezenverklaring van belang zijnde stukken. Vast staat dat beide stukken geen originele stukken zijn, noch dat zij voor eensluidend met het origineel gewaarmerkt zijn. Het betreffen gescande stukken die niet aangemerkt kunnen worden als elektronisch proces-verbaal, nu geen sprake is van een digitaal afschrift dat is voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening van een daartoe, door de verantwoordelijke aangewezen, ambtenaar als bedoeld in art. 2, lid 2, van het Besluit elektronisch proces-verbaal. Aan beide stukken kan niet de bijzondere bewijskracht als bedoeld in lid 2 van art. 344 Sv worden toegekend. Eén van de stukken is tevens niet op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt, zoals art. 153, lid 2, Sv voorschrijft. Beide stukken worden gekwalificeerd als “andere geschriften” in de zin van art. 344, lid 1, onder 5, Sv. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd, kan slechts uit één van de stukken worden afgeleid. Dit is onvoldoende wettig bewijs.
De uitspraak op rechtspraak.nl