Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8561
Zorgplicht van bank in vermogensadviesrelatie. Klanten tekenen op advies van de bank in op emissie van perpetuele achtergestelde obligaties van de bank. De koers van de obligaties daalt vervolgens sterk. Het hof overweegt dat de vraag of de bank een advies heeft gegeven dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur niet had mogen geven, beoordeeld dient te worden naar de gangbare inzichten ten tijde van het advies. De vraag die beantwoord dient te worden is of de koersdaling die zich na 2004 heeft voorgedaan voor de bank ten tijde van haar advies voorzienbaar was dan wel of de bank met het risico van een dergelijke koersdaling destijds bij haar advisering redelijkerwijs rekening diende te houden. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat belegging in perpetuele achtergestelde obligaties van de bank in 2004 als een solide en risicomijdende belegging werd beschouwd en dat de latere sterke koersdaling indertijd niet te voorzien was, noch redelijkerwijs te verwachten was. Het advies om in deze obligaties te beleggen kon in de omstandigheden van dit geval dan ook door een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur gegeven worden.
De uitspraak op rechtspraak.nl