Hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8112
Wet- en regelgeving: Wet op de economische delicten Wet milieubeheer Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer Besluit omgevingrecht Besluit bodemkwaliteit Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk het verwijderen of onklaar maken van een opslagtank, met de daarbij behorende leidingen en appendages, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft laten geschieden door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit. Is de opslagtank een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer? Verdachte wordt van dit verwijt vrijgesproken, omdat een dergelijk normdocument noch de ministeriële aanwijzing van een dergelijk normdocument op de voet van artikel 25 van het Besluit bodemkwaliteit zich in het dossier bevinden. Voorts wordt verdachte verweten dat hij opzettelijk, terwijl in de inrichting een brandstoftank is verwijderd, althans een bodembedreigende activiteit is verricht, niet binnen zes maanden na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof en/of afgewerkte olie en/of pekel in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit heeft toegezonden aan het college van burgemeester en wethouders, althans aan het bevoegd gezag. Verdachte wordt van dit verwijt vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat het bodemonderzoek dat verdachte voor het einde van de ten laste gelegde periode aan het college van burgemeester en wethouders heeft doen toekomen, kan worden beschouwd als rapport in de zin van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
De uitspraak op rechtspraak.nl