Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2343

In het onderhavige geschil heeft gelaedeerde een verklaring voor recht gevorderd dat de schipper van een skûtsje en de organisatie van een bedrijvencompetitie "skûtjesilen" aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade die is ontstaan tengevolge van het ongeval dat aan boord van het skûtsje tijdens de wedstrijd heeft plaatsgevonden. De vorderingen zijn door de rechtbank toegewezen. Het hof is met de schipper van oordeel dat de verkorte verjaringstermijn van artikel 8:1780 BW op de vordering jegens de schipper exclusief van toepassing is en dat de vordering om die reden jegens de schipper is verjaard. Het staat het hof niet vrij ambtshalve te onderzoeken of de vordering jegens de wedstrijdorganisatie door verjaring eveneens teniet is gegaan. Naar het oordeel van het hof mag van een organisatie van een zeilwedstrijd voor onervaren deelnemers worden verwacht dat de deelnemers nadrukkelijk en indringend gewaarschuwd worden voor de gevaren die verbonden zijn aan een gijpmanoeuvre. Voorshands staat vast dat geleadeerde door de organisatie tijdens het palaver onvoldoende is gewaarschuwd en geïnstrueerd. Het hof laat de organisatie toe hiertegen tegenbewijs te leveren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen