Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9211
6:265, 7:347, 7:355, 7:363 en 7:376 BW De regeling van de pachtovereenkomst gaat ervan uit dat de pachter het gepachte zelf exploiteert. Volgens art. 7:355 BW is, tenzij partijen anders zijn overeenkomen, de pachter niet tot onderverpachting bevoegd, behoudens toestemming door de verpachter. Overgang van de positie van de pachter op een derde kan de pachter uitsluitend afdwingen door indeplaatsstelling te vorderen, welke vordering alleen mogelijk is indien de derde behoort tot de in art. 7:363 lid 1 BW omschreven kring van personen, terwijl bovendien de pachtrechter in zo’n geval beoordeelt of de voorgestelde pachter voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Tegen deze achtergrond handelt een pachter niet als goed pachter in de zin van art. 7:347 BW wanneer hij een samenwerkingverband aangaat in een zodanige vorm dat hij (feitelijk) het gepachte niet langer zelf exploiteert. Op de verpachter die ontbinding vordert, rust de stelplicht en bewijslast van zijn stelling dat de pachter tekortschiet. Dat neemt echter niet weg dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog zelf exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verschaffen, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven aan de Dienst Regelingen.