Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4701
De eigenaar van een evenementenbedrijf (hierna: A) ontvangt een goed bod op zijn bedrijfspand. Hij overweegt tot verkoop over te gaan, maar dan moet hij op korte termijn een ander pand zien te vinden. Een kennis (hierna: B) hoort hiervan en biedt haar kantoorpand met bovenwoning in de dorpskom te koop aan voor circa één miljoen Euro. Het pand zou wel verbouwd moeten worden en er is een exploitatievergunning nodig. De bestemming van het pand staat in beginsel aan de uitoefening van het evenementenbedrijf in de weg. A is wel geïnteresseerd in het pand van B. Partijen spreken er nogmaals over en een week na het eerste gesprek bekijkt A het pand samen met zijn architect en accountant. De notaris heeft een voorlopig koopcontract opgesteld. Tot levering van het pand komt het echter niet. Inmiddels heeft B een andere woning gekocht en A een ander bedrijfspand. B spreekt A aan tot nakoming, stellende dat de koop al in het eerste gesprek gesloten is. De rechtbank heeft de vordering van B, na getuigen te hebben gehoord, toegewezen. Volgens de rechtbank heeft B bewezen dat er een koopovereenkomst is gesloten zonder dat A het voorbehoud heeft gemaakt dat eventuele exploitatie- en andere vergunningen door de gemeente zouden worden verleend. Het hof wijst de vorderingen van B alsnog af. Volgens het hof is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan het verweer van A dat er slechts sprake was van een aanbod van B om in onderhandeling te treden over de aankoop van haar pand. Dit verweer slaagt. Volgens het hof kon B, gelet op de omstandigheden van dit geval, de door A getoonde interesse voor haar pand niet opvatten als de aanvaarding van haar aanbod. B wist dat het pand eerst verbouwd zou moeten worden en dat er vergunningen verleend moesten worden die nog de nodige tijd zouden vergen, terwijl A tijdens de eerste bespreking het pand nog niet eens had beoordeeld op haar geschiktheid voor het evenementenbedrijf en er maar weinig tijd was voor de bedrijfsverplaatsing. Daar komt bij dat het initiatief voor de eerste bespreking van B uitging omdat zij daarbij een eigen belang had. Hieraan doet niet af dat B kennelijk dacht dat de koop al rond was omdat het eerste gesprek in een vriendschappelijke sfeer verliep en er over de prijs van het pand niet is onderhandeld. De subsidiaire vordering van B (schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen) is door het hof eveneens afgewezen. In de gegeven omstandigheden ziet het hof niet in op grond waarvan A verplicht zou zijn om in te gaan op het aanbod van B om in onderhandeling te treden.
De uitspraak op rechtspraak.nl