Hof Amsterdam 18 september 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2947

Wraking. Verzoeksters niet-ontvankelijk in verzoek tot wraking van griffiers en verklaart het verzoek tot wraking van raadsheren kennelijk ongegrond. Wrakingsverbod.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummers : 200.374.238 en 200.374.240
zaaknummers hoofdzaken : BK-AMS 25/152, BK-AMS 25/154, BK-AMS 25/896, BK-AMS 25/897, BK-AMS, 25/47-49 en BK-AMS 25/102
Beslissing van de wrakingskamer van 18 september 2026
op het wrakingsverzoek ingediend door
1. [verzoeker 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht,
hierna: verzoekster,
2. [verzoeker 3] II B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht,
hierna: verzoekster,
3. [verzoeker 3] B.V.,
Gevestigd te [plaats 2] ,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht,
hierna: verzoekster,
4. [verzoeker 4] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht,
hierna: verzoekster,
5. [verzoeker 5] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
bijgestaan door gemachtigde mr. D.A.N. Bartels te Utrecht,
hierna: verzoekster.
Verzoeksters 1 t/m 5 worden hierna tezamen verzoeksters genoemd.

1 De procedure

1.1 De hoofdzaken betreffen het hoger beroep van verzoeksters tegen de uitspraken van de rechtbank over opgelegde lokale heffingen.

1.2 Op 8 september 2026 zouden de mondelinge behandelingen van de hoger beroepen van verzoeksters enkelvoudig behandeld worden door twee raadsheren in twee aansluitende tijdsblokken met telkens drie zaken.

1.3 In aanloop naar deze geplande mondelinge behandelingen heeft mr. Bartels drie uitstelverzoeken gedaan: een verzoek vanwege een mogelijke staking, een verzoek vanwege een door mr. Bartels aan het bestuur van het hof gezonden brief over digitaal procederen en een verzoek vanwege een ziekenhuisbezoek. Deze drie verzoeken zijn afgewezen.

1.4 Op 7 september 2026 om 17:06 uur heeft mr. Bartels, na afwijzing van het derde uitstelverzoek, per e-mail de wraking verzocht van de raadsheren mr. M. Ferrier en mr. B.A. van Brummelen (hierna: de raadsheren), en van de griffiers (hierna: de griffiers).

1.5 De raadsheren hebben op 8 september 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.

1.6 Op 8, 14 en 16 september 2026 heeft mr. Bartels nog aanvullende e-mails aan de wrakingskamer gestuurd.

2 Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover

2.1 De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit de e-mail van mr. Bartels van 7 september 2026. Het wrakingsverzoek is gestoeld op de volgende vier gronden:
1. de raadsheren hebben de serie mondelinge behandelingen niet uitgesteld na zijn verzoek daartoe op 3 september 2026, waardoor de raadsheren en griffiers blijk geven van vooringenomenheid;
2. het gros van de door mr. Bartels aangeleverde processtukken is niet in het digitale systeem geplaatst;
3. mr. Bartels heeft nog steeds geen toegang tot de achterliggende rechtbankdossiers;
4. mr. Bartels zijn gezondheid gaat voor.
Mr. Bartels heeft afsluitend verzocht nog die dag voor 22.30 uur schriftelijk per e-mail bevestigd te krijgen dat de gehele reeks van mondelinge behandelingen geen doorgang zullen vinden en zullen worden aangehouden.

2.2 De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten. Volgens de raadsheren kan uit het verzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid worden afgeleid waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de betrokken raadsheren schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het gaat hier om processuele beslissingen die geen grond voor wraking opleveren. Ook geven zij te kennen dat het middel van wraking voor mr. Bartels een manier is geworden een digitale zitting of uitstel van een zitting te bewerkstelligen, waardoor de werkprocessen bij de wederpartijen in de hoofdzaken en bij het hof verstoord worden. Zij hebben verzocht om vast te stellen dat verzoeksters (althans mr. Bartels namens hen) misbruik van het wrakingsmiddel maken en om voor een nader te bepalen periode een wrakingsverbod uit te spreken.

3 De beoordeling

Juridisch kader

3.1 Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt in dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.

3.2 Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Beoordeling in deze zaak

3.3 De wet biedt niet de mogelijkheid tot wraking van de griffier. Verzoeksters zijn daarom niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking van de griffiers.

3.4 Blijkens de toelichting is de wraking van de raadsheren gebaseerd op het feit dat (i) het (laatste) verzoek tot aanhouding in verband met zijn gezondheid niet is toegewezen, (ii) stukken niet in het dossier zijn gevoegd en (iii) mr. Bartels geen digitale toegang heeft tot de rechtbankdossiers.

3.5 Ten aanzien van de onder (i) genoemde grond geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen daaraan in de weg staat. Dit gesloten stelsel brengt mee dat een rechterlijke (proces)beslissing geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt dus niet de juistheid van die beslissing. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek op deze grond niet toewijsbaar is.

3.6 De wrakingskamer is van oordeel dat de gronden genoemd onder (ii) en (iii) geen gronden zijn waaruit zou kunnen volgen dat de raadsheren vooringenomenheid koesteren. Bovendien volgt ook niet uit de toelichting waarom deze omstandigheden een grond opleveren voor de objectieve vrees dat de raadsheren partijdig zouden zijn jegens de verzoeksters die de gemachtigde bijstaat.

3.7 De wrakingskamer komt daarom tot de conclusie dat het wrakingsverzoek jegens de raadsheren kennelijk ongegrond is. Er is dus geen reden om het verzoek op een zitting te behandelen.

3.8 De raadsheren hebben drie verzoeken van mr. Bartels tot aanhouding van de hoofdzaken afgewezen. Mede gelet op het vermelde in 2.1 (slot), is het onderhavige wrakingsverzoek kennelijk enkel bedoeld om te bewerkstelligen dat de zittingen geen verdere doorgang konden vinden. De hoofdzaken zijn alsnog aangehouden vanwege de indiening van het wrakingsverzoek, ondanks de andersluidende beslissing van de raadsheren. Daarmee hebben verzoeksters het middel van wraking uitsluitend gebruikt om de procedure te vertragen. Dat is misbruik van de mogelijkheid van wraking. De wrakingskamer bepaalt om die reden dat een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaken niet meer in behandeling wordt genomen.

3.9 De wrakingskamer stelt voorts vast dat deze wijze van handelen van mr. Bartels helaas geen incident is. Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat mr. Bartels bij herhaling (in geclusterde zaken) wrakingsverzoeken indient op gronden die een wrakingsverzoek niet kunnen dragen en/of met geen ander doel dan het frustreren van de voortgang van de procedures en die door wrakingskamers als misbruik van het wrakingsmiddel worden aangemerkt. De wrakingskamer wijst bij wijze van voorbeeld op de beslissingen van rechtbanken Midden-Nederland van 9 april 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6197 (wrakingsverbod na 113 wrakingsverzoeken), Den Haag van 30 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:8500), 22 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:17186 en 17185) en 28 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:19835), gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2669) en 24 oktober 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:2935) en van dit hof van 24 juli 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:2260). De wrakingskamer is er ook ambtshalve mee bekend dat dat vergelijkbare wrakingsverzoeken in hoofdzaken bij de belastingkamer van dit hof zijn gepasseerd omdat zij als misbruik van het wrakingsmiddel zijn aangemerkt en dat er op 7 januari 2026 een wrakingszitting gepland stond met mr. Bartels, maar hij het wrakingsverzoek een dag voor de zitting weer heeft ingetrokken nadat de hoofdzaak alsnog was aangehouden.

3.10 Het voorgaande in aanmerking genomen wijst de wrakingskamer mr. Bartels erop dat in de gegeven omstandigheden een algeheel wrakingsverbod ten aanzien van raadsheren in de belastingkamer voor een bepaalde periode in zicht komt als mr. Bartels voortgaat met het misbruikelijk aanwenden van het wrakingsmiddel. Mr. Bartels laat zich kennelijk niets gelegen liggen aan eerdere rechterlijke beslissingen en blijft misbruik van het wrakingsmiddel maken.

4 De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoeksters niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking van de griffiers en verklaart het verzoek tot wraking van de raadsheren kennelijk ongegrond, en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. I.A. van der Burg, mr. L. Alwin en mr. E.J. Bellaart, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken