Hof Amsterdam 22 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1899
Exequaturprocedure. Verweerster is niet op de mondelinge behandeling verschenen en niet is komen vast te staan dat zij is opgeroepen voor de mondelinge behandeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, eerste lid onder a, van het Haags Betekeningsverdrag. De Russische Federatie heeft op de voet van het bepaalde in artikel 21, tweede lid onder a, een voorbehoud bij artikel 10 van het Haags Betekeningsverdrag gemaakt. De toezending per aangetekende brief kan daarom niet worden aangemerkt als een door het Haags Betekeningsverdrag toegestane vorm van kennisgeving, zodat daaraan niet het rechtsgevolg toekomt dat verweerster moet worden geacht behoorlijk te zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, eerste lid onder b, van het Haags Betekeningsverdrag. Nu verweerster niet is verschenen bij de mondelinge behandeling, brengt het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag daarom dwingend mee dat de beslissing over het verzoek van verzoekster moet worden aangehouden. Het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van het Haags Betekeningsverdrag laat niet toe dat ondanks het ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van de Russische Federatie en ondanks het niet verschijnen van verweerster bij de mondelinge behandeling een beslissing over het verzoek zal worden gegeven, aangezien niet aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan, alleen al omdat tussen de toezending van het oproepingsexploot en het tijdstip van de mondelinge behandeling minder dan de in artikel 15, tweede lid onder b, genoemde termijn van zes maanden is verstreken.
De uitspraak op rechtspraak.nl