Hof Amsterdam 25 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2272
Arbeidsrecht. De zaak gaat over de wijze waarop de transitievergoeding moet worden berekend. Het hof oordeelt dat onverkorte toepassing van de wettelijke referteperiode in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verder oordeelt het dat de pensioentoeslag en (de waarde van) toegekende aandelen en opties beschouwing blijven bij het berekenen van de transitievergoeding. Dat geldt ook voor de ‘Deferred annual bonus’ over 2017/2018, waarvan de rechtbank had geoordeeld dat die wel meegenomen moest worden. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de werknemer recht had op (of vergaand in onderhandeling waren over) een uitbetaling in geld in plaats van toekenning in aandelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl