Hof Amsterdam 14 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1754
Appelante heeft aangevoerd dat bij de door de minister gebruikte representativiteitsgegevens ten tijde van de algemeenverbindendverklaring van de cao Bouw & Infra en de cao BTER en de totstandkoming van het verplichtstellingsbesluit Bpf Bouw ongeorganiseerden ten volle buiten beschouwing zijn gebleven. De omvang van deze categorie is zodanig groot dat de vereiste representativiteit niet tot stand komt als die categorie wordt meegewogen. Het hof oordeelt dat het verplichtstellingsbesluit en de algemeenverbindendverklaring rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, en dat de bedenkingen van appellante en anderen omtrent de representativiteit expliciet zijn meegewogen en verworpen. Appellante heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat tijdens het werkingssfeeronderzoek gezamenlijk de beslissing is genomen om de analyse van de werkzaamheden van appellante te maken op basis van de in de financiële administratie opgenomen omzet manuren. Met betrekking tot het beroep van appellante op de isolatie-uitzondering heeft het hof geoordeeld dat appellante niet heeft geconcretiseerd dat de door haar verrichte asbestverwijderingswerkzaamheden ten behoeve van isolatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd, zodat van connexiteit tussen asbestverwijdering en het aanbrengen van isolerende materialen geen sprake is.
De uitspraak op rechtspraak.nl