Hof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1052
In deze zaak spelen drie geschilpunten, twee in principaal hoger beroep en een in incidenteel hoger beroep. Deze geschilpunten worden door het hof afzonderlijk behandeld. Geschilpunt 1: Tussen de partijen in dit geding is een investment agreement tot stand gekomen. Appellanten in principaal hoger beroep beogen (primair) dat deze overeenkomst wordt vernietigd wegens misbruik van omstandigheden en (subsidiair) dat er aan hen een schadevergoeding wordt toegekend wegens onrechtmatig handelen voorafgaand aan de totstandkoming van deze overeenkomst. Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar. Geschilpunt 2: Geïntimeerden in principaal hoger beroep vorderden in eerste aanleg de hoofdelijke veroordeling van appellanten in hoger beroep tot betaling van € 500.000, met rente. Daaraan legden zij de vrijwaringsverplichting ten grondslag uit de investment agreement. De rechtbank heeft hun vordering toegewezen. De grieven daartegen zijn ongegrond. Geschilpunt 3: Appellanten in incidenteel hoger beroep vorderden in eerste aanleg (en thans in hoger beroep) de veroordeling van geïntimeerde in incidenteel hoger beroep om driemaal een bedrag van € 500.000 te voldoen, met rente. Daaraan legden zij ten grondslag dat er meermaals geheimhoudingsverklaringen zijn geschonden. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Ten verwere is een beroep op berusting gedaan. Dat slaagt. Appellanten in incidenteel hoger beroep worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 334 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 339 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 347 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:248 BW6
- Artikel 3:33 BW3
- Artikel 3:35 BW3
- Artikel 3:44 BW3
- Artikel 3:53 BW3
- Artikel 3:59 BW3