Hof Amsterdam 18 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:502
Beslag saldo en-of rekening, beslagvrije voet, misbruik van recht. Derdenbeslag onder de bank op saldo en/of-rekening ten name van Vader en dochter. Sprake is van een zowel aan Vader als de dochter toekomend vorderingsrecht op de bank tot uitbetaling van het gehele saldo op de en/of-rekening. H kan zich als schuldeiser van de dochter op deze vordering verhalen. Dat tussen Vader en de dochter een specifieke afspraak over de verdeling van het saldo heeft te gelden op grond waarvan de dochter niet over het saldo op de rekening kon beschikken doet daar niet aan af. Van H kan in de gegeven omstandigheden wel worden gevergd dat zij het bestaansminimum van Vader waarborgt. Vader heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij door tenuitvoerlegging van de executoriale titel niet in zijn primaire levensbehoeften kon voorzien. H was van de specifieke omstandigheden van Vader op de hoogte. Gelet op de onevenredigheid tussen het belang van H een groter deel van haar vordering op de dochter te kunnen incasseren en het belang van Vader om in zijn primaire levensbehoeften te kunnen blijven voorzien, had H naar redelijkheid niet tot ongewijzigde voortzetting van de executie kunnen komen. H. had het bedrag van de beslagvrije voet weer aan Vader ten goede moeten laten komen. Door dat na te laten, is sprake van misbruik van bevoegdheid. De slotsom is dat H weliswaar gerechtigd was om ten laste van de dochter onder de bank derdenbeslag te leggen op het gehele saldo van de en/of-rekening, maar dat deze beslaglegging voor zover die het bedrag van de beslagvrije voet te boven ging jegens Vader onrechtmatig was.
De uitspraak op rechtspraak.nl