Hof Amsterdam 5 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:755

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat deze 1) een onredelijk korte betalingstermijn heeft gehanteerd en te snel tot beslaglegging is overgegaan, en 2) bij de betekening van het bankbeslag niet de wettelijke termijn van acht dagen heeft aangehouden. De kamer heeft klachtonderdeel 2 gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd. Klachtonderdeel 1 is ongegrond verklaard. De oorspronkelijke klacht en beslissing zag op twee gerechtsdeurwaarders, waarvan er slechts één hoger beroep heeft ingesteld. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart de klacht in zijn geheel ongegrond. Als uitgangspunt geldt dat een gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor een gedraging die weliswaar is verricht binnen zijn organisatie maar waarbij hij in werkelijkheid in het geheel niet betrokken is geweest.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken