Hof Amsterdam 22 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:360
Klacht tegen notaris. Gelijktijdige behandeling van twee zaken. In de zaak met zaaknummer 200.241.975/01 NOT heeft appellant een verzoek om voeging als belanghebbende ingediend in de klachtprocedure van klagers - de broer en de neven van appellant - tegen de notaris. De voorzitter van de kamer heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek. Het daartegen door appellant ingestelde verzet is door de kamer ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing staat op grond van art. 99 lid 19 Wna geen rechtsmiddel open. Dit is slechts anders indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Dit is niet komen vast te staan; geen doorbreking rechtsmiddelenverbod. Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. In de zaak met zaaknummer 200.243.841/01 NOT komt appellant in hoger beroep van een beslissing van de kamer in de klachtprocedure van klagers tegen de notaris. Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Gelet op art. art. 107 lid 1 Wna jo. art. 104 Wna komt aan de betrokken notaris, de klager, de KNB en het BFT het recht toe hoger beroep in te stellen. Nu appellant (de broer/oom van klagers) geen van deze hoedanigheden bezit, komt hem dat recht niet toe.
De uitspraak op rechtspraak.nl