Hof Amsterdam 30 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2748

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klager klaagt - in de kern - over het volgende: 1. de dagvaarding is op een verkeerd adres betekend, waardoor hij geen verweer heeft kunnen voeren en hij bij verstek is veroordeeld; 2. op 30 september 2016 heeft hij het bericht van de gemeente Heerlen dat de verhuizing is verwerkt aan zowel de opdrachtgever als aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder doen toekomen, waarna hij van de opdrachtgever een e-mailbericht heeft ontvangen dat hij zowel het vonnis als de dagvaarding als niet geschreven kon beschouwen. De gerechtsdeurwaarder heeft echter toch op 7 november 2016 ten laste van klager (executoriaal) derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst; 3. eerst bij exploot van 11 januari 2017 raakte hij bekend met het beslag van 7 november 2016; 4. de opdrachtgever kan geen bewijs overleggen dat de producten die niet zijn betaald, daadwerkelijk door klager zijn ontvangen. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht ongegrond verklaard. Het hof verklaart klachtonderdeel 4, dat door de kamer onbesproken is gelaten, ongegrond, vernietigt de bestreden beslissing, verklaart klachtonderdelen 1 en 2 gegrond, legt ter zake daarvan aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op en verklaart klachtonderdeel 3 ongegrond. Naar het oordeel van het hof geen zogenoemde “losse opdracht”. Door gerechtsdeurwaarder toegepaste werkwijze brengt mee dat het de (mede)verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder is dat een betekening in overeenstemming is met de Basisregistratie Personen (BRP). Tevens onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klager; eigen verantwoordelijkheid gerechtsdeurwaarder bij uitvoering van zijn opdrachten. Kostenveroordeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken