Hof Amsterdam 9 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1294
Klacht tegen een notaris. Klaagster verwijt de notaris - in de kern - dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt. De notaris heeft gehandeld in strijd met de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) en de zorgplicht die hij jegens alle betrokken partijen heeft, doordat hij zijn bank opdracht heeft gegeven om over te gaan tot betaling van de door het executoriaal derdenbeslag getroffen gelden aan de gerechtsdeurwaarder. Ingevolge artikel 17 lid 1 Wna was de notaris gehouden de belangen van alle betrokken partijen te behartigen en de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten. De notaris wist dat klaagster bij de voorzieningenrechter een datum had aangevraagd voor een kort geding met het verzoek - vooruitlopend op de behandeling daarvan - te gelasten dat het vonnis van 7 februari 2018 niet mocht worden geëxecuteerd, totdat de voorzieningenrechter op de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van dat vonnis had beslist. De notaris had de betaling moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de voorzieningenrechter, althans moeten afwachten of de voorzieningenrechter overeenkomstig het verzoek van klaagster zou beslissen. De kamer heeft in de bestreden beslissing klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. De notaris heeft weliswaar gehandeld in hoedanigheid van derde-beslagene, maar de aan de notaris verweten handelwijze houdt in dit geval voldoende verband met zijn hoedanigheid van notaris. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart de klacht ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl