Hof Amsterdam 5 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1182
meer naar aanleiding van verweren over de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van rechtspersonen, eigen schuld van de benadeelde en eisen die gesteld moeten worden aan de onderbouwing van de vordering in relatie tot de inhoud van de verklaringen van de verdachte. Het hof neemt, gelet op de intensiteit van de samenwerking bij de tezamen en in vereniging gepleegde flessentrekkerij, groepsaansprakelijkheid aan ten aanzien van door leveranciers geleden schade. Daarop aansluitend volgen beschouwingen over het rechtstreeks verband tussen deelneming aan een criminele organisatie en schade die is geleden door benadeelde partijen. Dit mondt uit in gehele of gedeeltelijke toewijzing van een groot aantal vorderingen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet gevorderd maar door het hof toch opgelegd. Het hof acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat de verdachte in het geheel geen verhaal zal kunnen bieden. Beschouwing over de wettelijke grondslag voor oplegging van de bijkomende straf van ontzetting van rechten (artikelen 31 en 339 Sr), uitmondend in de conclusie dat in het onderhavige geval oplegging niet mogelijk is en in afwijzing van de vordering van de advocaat-generaal om de straf op te leggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl