Hof Amsterdam 6 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:802

Verkrijgende verjaring. Geen bezit te goeder trouw (art. 3:99 BW). Art 3: 105 lid 1 BW ambtshalve toepassen? Artikel 3:322 lid 1 BW, dat bepaalt dat de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve mag toepassen, heeft geen betrekking op de verkrijgende verjaring maar alleen op de bevrijdende verjaring (de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis). Het verbod laat zich verklaren door de aard van de bevrijdende verjaring, dat in wezen een aan de debiteur ter beschikking staand verweermiddel betreft waar hij ook afstand van kan doen (art. 3:322 lid 2 BW). Voor de mogelijkheid tot afstand heeft de wetgever bij de verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 lid 1 BW uitdrukkelijk niet gekozen (zie ook Parl. Gesch. Boek 3, art. 3.4.3.7, p. 414-415), nu deze vorm van verjaring van rechtswege werkt en ertoe strekt dat “het recht zich op den duur bij de feiten aansluit” (Parl. Gesch. Boek 3, art. 3.4.3.8, p. 416). Introductie van een equivalent van artikel 3:322 lid 1 BW voor verkrijgende verjaring was daarom ook niet aan de orde. Uit dit alles vloeit voort dat de rechter de regels omtrent verkrijgende verjaring ambtshalve moet toepassen. Volgt verwijzing naar de rol voor aktewisseling. Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:3621 en ECLI:NL:GHAMS:2016:5140, ECLI:NL:GHAMS:2018:2846, ECLI:NL:GHAMS:2019:477 en ECLI:NL:GHAMS:2019:2048.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken