Hof Amsterdam 18 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3644

Klacht tegen twee (oud)notarissen. Klaagster verwijt de (oud)notarissen, kort gezegd, dat zij hebben meegewerkt aan het opstellen en passeren van een zeer specifiek testament voor haar verstandelijk beperkte broer terwijl hij daartoe niet wilsbekwaam was. Op 5 september 2017 heeft het hof in deze zaak een tussenbeslissing (ECLI:NL:GHAMS:2017:3555) gegeven. Bij de tussenbeslissing heeft het hof de (oud)notarissen in de gelegenheid gesteld om zich nader schriftelijk uit te laten. Verder heeft het hof bepaald dat klaagster op deze nadere schriftelijke uitlating(en) mag reageren. Het hof heeft de mondelinge behandeling van de zaak hervat ter openbare terechtzitting van 17 mei 2018. Op 2 juni 2018 is de oud-notaris overleden. Nu de oud-notaris tijdens de behandeling in hoge beroep is overleden, wordt de beslissing van de kamer in zoverre vernietigd. Het hof zal klaagster, wat betreft haar klacht tegen de oud-notaris, niet-ontvankelijk verklaren in haar klacht. Mede gelet op de stukken van het geding kan niet aannemelijk worden geacht dat de notaris naar de tuchtrechtelijke maatstaven van destijds, onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de broer van klaagster. Naar het oordeel van het hof heeft klaagster, bezien in het licht van het verweer van de notaris en de stukken, daartoe onvoldoende gesteld. De klacht van klaagster tegen de notaris dient daarom ongegrond verklaard te worden. Het hof bevestigt in zoverre de bestreden beslissing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken