Hof Amsterdam 19 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5248

ABN AMRO heeft in zijn leningdocumentatie voor Euribor-hypotheken wijzigingsbedingen opgenomen uit hoofde waarvan zij eenzijdig de opslag kan wijzigen die zij, naast de Euribor-rente, aan particuliere klanten in rekening brengt. Op grond van de wijzigings¬bedingen heeft ABN AMRO in 2009 en 2012 bij brief eenzijdig de aan klanten in rekening gebrachte opslag verhoogd met achtereenvolgens 0,5% en 1,0%. Het hof is van oordeel dat de wijzigingsbedingen op zichzelf genomen onvoldoende transparant zijn in de zin van art.5 Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereen¬komsten (hierna: de Richtlijn) en dat, voor zover al een onvoorziene situatie aan de orde is waarin ABN AMRO de reden voor de wijziging per brief zou kunnen meedelen, zij in de brieven noch in de onderhavige procedure voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat verhoogde (funding)kosten tot de verhoging van 0,5% respectievelijk 1,0% noopten. Daarmee komt ABN AMRO als leverancier van financiële diensten geen beroep toe op de uitzondering van punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage bij de Richtlijn. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank van 11 november 2015, waarin de wijzigingsbedingen zijn vernietigd, bekrachtigd. Art. 6:233 BW Richtlijn 93/13 EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken