Hof Amsterdam 21 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:482

Het verwijt dat het BFT de kandidaat-notaris maakt, betreft de ambtshalve bedenking van de plaatsvervangend voorzitter, die ziet op schending van de in artikel 98 lid 1 (oud) Wna (thans artikel 93 lid 1 Wna) neergelegde norm door te handelen als geconstateerd in het rapport van het BFT. Die bevindingen komen erop neer dat de kandidaat-notaris bij het begeleiden van onroerend goed transacties is tekortgeschoten in zijn onderzoeks- en waarschuwingsplicht en dat de kandidaat-notaris in dat kader zijn verplichting tot dossiervorming onvoldoende heeft nageleefd. De kamer heeft de ambtshalve bedenking van de plaatsvervangend voorzitter ongegrond verklaard. Het hof is met de kamer van oordeel dat geen sprake is van een gegronde bedenking dat tuchtrechtelijke normen zijn overschreden en bevestigt de bestreden beslissing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken