Hof Amsterdam 14 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:460
Vervolg van hof Den Haag 1 april 2014 ECLI:NL:GHDHA:2014:4597 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3618, NJ 2016/109. Per 1 januari 2006 is artikel 7:942 (oud) BW in werking getreden. Als gevolg van artikel 68a lid 1 Ow NBW heeft dit onmiddellijke werking ten aanzien van de aard, het aanvangstijdstip en de duur van de verjaringstermijn. Dit brengt in beginsel mee dat ten aanzien van reeds vóór inwerkingtreding afgewezen, maar nog niet verjaarde aanspraken, de verjaringstermijn eerst weer gaat lopen nadat de verzekeraar een aangetekende brief heeft gestuurd, waarin ondubbelzinnig erop wordt gewezen dat de rechtsvordering na zes maanden verjaart. Zonder een dergelijke brief kan geen sprake zijn van voltooiing van de verjaring. Het hof oordeelt echter dat op grond van artikel 75 Ow NBW de onmiddellijke werking (voortvloeiend uit artikel 68a lid 1 Ow NBW) buiten toepassing moet blijven, omdat die onmiddellijke werking in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit zou immers betekenen dat Allianz rond 1 januari 2006 ongeveer 2,5 miljoen aangetekende brieven zou moeten versturen aan verzekerden met een afgewezen maar niet verjaarde aanspraak. Dat zou een enorme administratieve operatie zijn die Allianz miljoenen zou hebben gekost. Niet is gebleken van een daartegenover staand zwaarwegend belang dat met onmiddellijke werking zou zijn gediend.
De uitspraak op rechtspraak.nl