Hof Amsterdam 4 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1120

Klacht tegen een notaris. Klaagster verwijt de notaris dat hij met het verlijden van de hypotheekakte van 7 november 2014 niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris mag worden verwacht omdat (samengevat) er ondanks een eerder overeengekomen bezwaringsverbod geen schriftelijke toestemming aan klaagster is gevraagd of door klaagster gegeven voor het vestigen van dit recht van tweede hypotheek. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof stelt (evenals de kamer) voorop dat uit de uitspraak van dit hof van 24 mei 2011 volgt dat een notaris in beginsel reden voor dienstweigering heeft, indien hij ermee bekend is dat zijn dienstverlening een onrechtmatige daad jegens een derde of een tekortkoming jegens een derde in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad jegens een derde door één of meer bij de transactie betrokken partijen tot gevolg heeft. Indien dienstweigering evenwel leidt tot schending van een rechtmatig belang van een bij de te verrichten rechtshandeling betrokken partij dat de notaris (ingevolge artikel 17 lid 1 Wna met de grootst mogelijke zorgvuldigheid) dient te behartigen, kan de notaris in verband daarmee tot de conclusie komen dat hij zijn medewerking desondanks dient te verlenen. Niet is gesteld of gebleken dat er op 7 november 2014 sprake was van een situatie dat het weigeren van medewerking aan het vestigen van de tweede hypotheek schending van rechtmatige rechten en belangen van [B.V.2] en/of [B.V.1] tot gevolg zou hebben gehad. De door de notaris genoemde omstandigheid dat klaagster bekend was of kon zijn met de achtergronden van het depot en daarbij ook belang had, is geen rechtvaardiging om desondanks ministerie te verlenen. De klacht is gegrond. Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken