Hof Amsterdam 21 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2316

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klager beklaagt zich erover dat (a) de gerechtsdeurwaarder een bedrag in een brief onvoldoende heeft gespecificeerd en dat dit bedrag niet correct is, (b) de gerechtsdeurwaarder niet aan hem heeft medegedeeld dat de executieverkoop geen doorgang zou vinden, (c) de gerechtsdeurwaarder niet inhoudelijk is ingegaan op de door klager gestelde vragen, (d) de gerechtsdeurwaarder het beslag op de roerende zaken van klager als oneigenlijk drukmiddel heeft gebruikt en (e) de gerechtsdeurwaarder zijn dossier niet op orde heeft. De kamer heeft de klachtonderdelen a, c, d, en e ongegrond verklaard en klager niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot klachtonderdeel b. Het hof verklaart de klachtonderdelen a, d, en e ongegrond, de klachtonderdelen b en c gegrond en legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken