Hof Amsterdam 21 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3050

Het BFT heeft een bewaringstekort op de derdengeldrekening en een negatieve liquiditeitspositie geconstateerd. Verder vond de berekening van de bewaringspositie niet plaats volgens de zogenoemde BLOS-regelgeving en is 94% van de zaken die de gerechtsdeurwaarder in behandeling heeft afkomstig van één opdrachtgever. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder zich jegens een medewerker van het BFT niet betamelijk gedragen. De kamer heeft overwogen dat vast staat dat de gerechtsdeurwaarder een negatieve bewaringspositie op zijn derdengeldrekening heeft laten ontstaan en dat hij dit tekort niet terstond heeft aangevuld en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem daarvan geen verwijt treft. Onweersproken is dat de gerechtsdeurwaarder eerder een aanzienlijk lager bewaringstekort aan het BFT heeft gerapporteerd en daarvoor door het BFT was gewaarschuwd. Verder heeft de gerechtsdeurwaarder in strijd gehandeld met de regelgeving van de KBvG door zich teveel afhankelijk te maken van één opdrachtgever en een negatieve liquiditeits- en solvabiliteitspositie te laten ontstaan. De gerechtsdeurwaarder heeft de hem verweten gedragingen erkend, althans onvoldoende betwist. De klachtwaardigheid van het aan de gerechtsdeurwaarder verweten handelen is evident. De moeilijke persoonlijke omstandigheden waarin de gerechtsdeurwaarder zich bevond, vormen hoe betreurenswaardig ook, geen excuus. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken